Inspirerende Tijd

Nu de lente zich aankondigt, breekt ook weer een periode aan met lange weekeinde. Het is weer de tijd voor velen van ons om niet aan het werk te denken, tijd waarvan we zelf bepalen hoe die ingevuld wordt en met wie we die willen doorbrengen. Dan gaan we op pad om te winkelen, op zoek naar de snuisterijen die we nog graag willen aanschaffen, vermaken we ons op het terras met het gadeslaan van onbekende terwijl we ons laven aan een consumptie, zoeken we naar rust in de natuur door een wandeling of fietstocht te maken of…. Kortom, de vrijetijdsindustrie biedt voor de nodige afwisseling een overvloed van mogelijkheden aan.

Op die dagen probeer ik als amateur fotograaf soms inspiratie op te doen door het bezoeken van fototentoonstellingen. Zo ook afgelopen Paasweekend. In het Haag’s Fotomuseum is een verzameling van Anton Corbijn’s oude werk bij elkaar gebracht dat hij maakte in de muziekwereld. Maar er is iets opmerkelijks met deze tentoonstelling: Volgens de inleidende tekst aan het begin van de tentoonstelling kijkt Corbijn zelf namelijk niet graag terug op dit werk, terwijl tegelijkertijd in het Haags Gemeente Museum de overzichtstentoonstelling ‘Hollands Deep’ loopt. Dit is een verzameling van hoogtepunten uit al zijn series ter ere van zijn 60-ste verjaardag. Is dat geen terugkijken?

Dat Corbijn dus iets eigenaardigs heeft, mag duidelijk zijn. De hoogtepunten die te zien zijn in ‘Hollands Deep’ bestaan voornamelijk uit portretten van celebraties en dus ook veel muzikanten. Sterker nog, in de serie ‘a.somebody’ zien we Corbijn zelf in de huid kruipen van overleden artiesten. Al zoekende naar de bron van zijn inspiratie laat hij zich vervolgens uitgedost als John Lennon, Janis Joplins en anderen tegen het decor van zijn geboorteplaats Strijen fotograferen. Ik vind het dus best vreemd dat hij via de bekende artiesten zijn roots onderzoekt en naar het werk dat daaraan vooraf ging niet wil terug kijken. Voor mij is het dus niet duidelijk wat het terugblikken voor Corbijn zo onaangenaam maakt. Ook vraag ik me af wie beide musea nu dan een plezier doen: de jarige Corbijn of het publiek?

Gezien de enorme drukte lijkt dat laatste aardig te lukken. Achteraf is het een beetje dom van mij om juist in dit Paasweekend inspiratie te zoeken. Het is namelijk zo druk geweest dat de meeste mensen in een soort polonaise door de zalen trekken. Het is dat sommige zo nu en dan even stilhouden om foto’s te maken van een portret van de Stones, U2 of Nirvana, zeg maar de blikvangers, zodat de file niet gestaag kan doorstromen. Toch ligt het tempo dermate hoog dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat je bewust iets ziet van wat die portretten zo bijzonder zou kunnen maken.

Een OzoGaaf Portret

Een OzoGaaf Portret

Om door de celebraties heen naar de authenticiteit van Corbijn’s werk te kunnen kijken, voelde ik de noodzaak om tegen de stroom in te gaan, mezelf los te maken van de spontane conventie. Door mezelf non-conformistisch op te stellen ontstond er wat ruimte in de meute. Uit misschien wel een beetje ergernis over mijn tegendraads gedrag doen de anderen net een stapje meer opzij dan wanneer ze je ‘blind’ achternalopend continu voortstuwen.
En vind ik de portretten nu bijzonder? Ja, de stijl van portretteren spreekt me aan, gewoon omdat er meer te zien is dan personages, er blijft iets te raden naast de bekende koppen. En nee, de stijl van fotograferen vind ik minder mooi, gewoon omdat ik het gebruik van de grofkorrelige films niet mooi vind. Die korrels geven de enorm contrastrijke of de juist heel erg vlakke beelden die Corbijn maakt een ruis die misschien wel net zo ambivalent is als de serie ‘a.somebody’.

De mooiste inspiratie die dag was toch wel de ervaring dat nieuwe, onbekende of confronterende kunst veel minder publiek trekken. Naast Corbijn’s publiekstrekkers bieden beide musea ook een podium voor werk dat naar het nu en straks kijkt. Zelf heb ik de bizarre objecten van Berlinde De Bruyckere gelaten voor wat ze zijn. Ik kan namelijk niet zo goed tegen beelden die lijken te verwijzen naar operatiekamers en open wonden. Toch heerst in deze ruimte de sfeer die ik bij een museum verwacht of misschien zelfs wel verlang, al is het maar voor het idee.
Die zelfde sfeer van rust en ruimtelijkheid spreekt ook door in het werk van Charles Avery. Hij creëert in de tentoonstelling ‘What’s the matter with Idealism?’ een overzicht van het werk rond zijn project ‘The Islanders’. In dit project bouwt hij een fictieve wereld, als spiegel van onze eigen samenleving. Vooral de transparante en schetsmatige manier waarop veel van Avery’s werken zijn uitgevoerd wekken de indruk met iets in wording te maken te hebben, het definitieve nog ontbrekend, het terugkijken nog niet uitgevonden. Voor mij inspirerend om de tijdelijkheid waarin we continu verkeren kritisch te blijven volgen.

Geplaatst in Cultuur Getagd met , , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*