Waardeloos

Op het nippertje bezocht ik het afgelopen weekend de tentoonstelling “De werkelijkheid van Jan Schoonhoven” in het Stedelijk Museum in Schiedam. Ondanks dat de mogelijkheid voor het bezoeken als sinds november vorig jaar werd geboden vond ik pas een week voor de einddatum een geschikt moment om naar deze abstracte kunst te gaan kijken. Dát ik moest gaan kijken wist na het lezen van ‘Witwerk’ van Mieke Moor. Naar aanleiding van haar boek ‘Tussen de regels, een esthetische beschouwing over geweld van organisatie’ kwam ik dit artikel op het spoor. Beide teksten gaan over de werking van kunst op de gemoederen van het publiek en de parallellen die hieruit richting het organiseren van het dagelijkse leven te trekken zijn en dan vooral in de organisatie van onze werkomgeving.

Zelf ben ik dagelijks met beide thema’s in de weer waarbij de kunst meer de hoedanigheid van vakmanschap heeft. Voor mij persoonlijk is de zoektocht naar een betere balans tussen dat vakmanschap en het economische rendementsdenken in de organisatie de aanleiding om mijzelf meer in de organisatiefilosofie te verdiepen en vragen te stellen bij de motivatie van de keuzes die de afgelopen jaren gemaakt zijn. Die interesse heeft er toe geleid dat ik nu de bakens probeer uit te zetten in een proces dat een organisatie richting zelfsturing omvormt. De transformatie van de reactieve naar een proactieve houding en het opnieuw leven inblazen van de creativiteit zijn op dit moment de grootste de uitdagingen.

De expositie laat het werk van Jan Schoonhoven op een zodanige manier zien dat de ontwikkeling van zijn werk, met de inspiratie daarvoor er tussen door, goed te volgen is. De tekenaar met een stijl die aan het kleurvolle werk van Paul Klee doet denken, transformeert naar de beeldhouwer die zich in de loop van de tijd steeds meer weet te beperken tot een minimale geometrische taal en nog smallere kleurruimte. Ondanks de waardeloze materialen – papier en karton al dan niet met witte verf gekleurd – waarmee de kunstenaar zijn objecten vervaardigt en de simpele rechte belijning in de meeste werken raakt het publiek er door geïnspireerd. De interesse is zo groot dat om aan de vraag te kunnen blijven voldoen de werken op een gegeven moment door een assistent worden geproduceerd naar de aanwijzingen van de kunstenaar.

Naar mate ik verder in de tentoonstelling kom vraag ik mezelf dan ook steeds meer af of ik nu kijk naar het resultaat van de bezieling van één kunstenaar of naar dat van een team? Waarbij het team dan wel uit de interactie tussen de leden van de Nul-beweging waarbij Jan Schoonhoven zich had aangesloten, of die tussen kunstenaar en assistent bestaat. In het verlengde daarvan liggen mijn vragen of het er toe doet wie zijn naam onder het werk heeft gezet of er überhaupt een naam onder moet staan? Zeker is dat kunst niet zonder zijn schepper kan, kan het ook zonder zijn faam?

Ik vernietigde de grens van de horizon/En stapte uit de wereld der dingen/En de dingen verdwenen als mist.

Ik vernietigde de grens van de horizon
En stapte uit de wereld der dingen
En de dingen verdwenen als mist.
Kazimir Malewich

Voor mij gaat de inspiratie vooral uit van de kracht in de wisselwerking van de schaduw en de vorm die hem veroorzaakt, waarbij de de dynamische stilheid van het werk zich manifesteert door de intensiteit van het licht. De op de Achromes van Piero Manzoni geïnspireerde werken van Jan Schoonhoven doen mij denken aan de monochrone fotografische beelden die ik zelf maak. Daarin is het ritme van de regelmatige structuur of textuur een belangrijk gegeven. Later dit jaar worden er een aantal abstract door mij gevangen reflecties van de werkelijkheid tentoongesteld. Momenteel zoek ik nog naar een manier om de abstracties een kader te geven, van een context of handvat te voorzien, ze minder waardeloos te maken.

Is dat niet wat kunst eigenlijk doet, aan iets wat waardeloos is een lading geven opdat het opgemerkt wordt? Worden in de kunst niet de alledaagse zaken aan de orde gesteld om ons wakker te schudden en aan te zetten tot reflectie? Joke Hermsen eindigt in haar ‘Kairos’ waarin zij op zoek is naar een nieuwe bevlogenheid om te kunnen overleven in de huidige door technologie gedreven samenleving, met de constatering dat de betere toekomst niet heel ver bij ons vandaan ligt. De bouwstenen, samengebracht in het verleden, liggen al opgestapeld in het heden. Het vereist volgens haar alleen een creatieve geest en de inspanning van het kritisch onderzoeken van het moment om de juiste verwondering te laten verschijnen over de niet-gerealiseerde mogelijkheden.

Beide boeken, Tussen de regels en Kairos, zijn niet meer dan een nauwkeurige aaneenschakeling van waardeloze karakters en toch geven ze een glimp weer van een ongrijpbaar gegeven dat het verschil maakt. Enerzijds de overwinning van ons aanwezig-zijn in deze wereld op het afwezig-zijn door de manier waarop we ons als mens manifesteren of anderzijds het eeuwigdurende moment van het nu, tussen het toen en het nog niet straks waarin we onze inspiratie kunnen vinden. En juist daar, op het moment dat kritisch onderzoek naar de mogelijkheden plaatsvindt, in de nieuwsgierigheid raken het aanwezig-zijn van de één en het afwezig-zijn van de ander elkaar, worden vrijheid en geweld gelijk.

En toch, dát te kunnen beleven geeft ons de kans om enthousiast te geraken, het patroon van het normale te doorbreken, onze horizon te verruimen waardoor we ons zelf kunnen ontwikkelen. Uit eigen ervaring weet ik dat dit moed en doorzettingsvermogen vergt. Het is immers niet niks wanneer ons verbeeldingsvermogen op de proef wordt gesteld, ons vooringenomen oordeel wordt uitgedaagd of het besef hoe waardeloos ons bestaan feitelijk is tot ons doordringt.

Geplaatst in Cultuur Getagd met , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*